Avonturen van een Cliniclown

Clowns op bezoek bij doorluchtige hoge geit


Robbert Bos (ex-CliniClown)


Andere wereld

Nog n keer diep de buitenlucht inademen, en dan stappen wij - twee Amsterdamse Cliniclowns in burger - met onze grote tassen het kolossale Rotterdamse Sophia Kinder Ziekenhuis binnen.

Overal zie je vrolijke schilderijen, foto’s, poppen en reusachtige knuffelbeesten. Het ruikt er niet meer zoals de ziekenhuizen van vroeger, maar je merkt wel dat er nergens ramen open kunnen. Na vijf minuten heb je al zin in een frisse douche.

In een leeg lokaal van de ziekenhuisschool kleden we ons om, Hanneke en ik. Wijde broeken, bretels, te grote schoenen: de onmiskenbare clown verschijnt. Een streepje bij de ogen: dat is voldoende schmink. Kunnen de kinderen ook nog de mens achter de clown zien.

Voorbereiding

Onze rode clowns neuzen gaan nog niet op. Want eerst komen de pedagogisch medewerksters van het ziekenhuis. Voor reacties over de vorige keer, en om ons voor te bereiden op vandaag.

Op welke afdelingen we spelen? Eerst op de Dagverpleging, dan naar de Polikliniek, Chirurgie en Kindergeneeskunde. Tweederde van de kinderen ligt op zaal, de rest alleen. Allemaal zijn ze langdurig of ernstig ziek. We volgen een tijdschema, zodat de pedagogisch medewerkers weten wanneer de clowns komen, en er eventueel bij zijn.

Eerst geven ze ons nog informatie over de kinderen bij wie we welkom zijn:
“Joris zit al vanaf vanochtend vroeg op jullie te wachten! Maak Bertine niet te hard aan’t lachen, want ze heeft last van haar buik. Ulgar’s hoofd ziet er een beetje vreemd uit door een operatie. Pas maar op als je bij Lies binnenkomt, want die gaat jullie beetnemen! Bij Pim moet je vlakbij spelen, want hij kan niet zo goed zien en horen.” Enzovoort.

Rode neus


Dan gaan de neuzen op. Ziedaar: Cliniclowns Hansje en Bram. Meteen veranderen onze stemmen, houding, manier van bewegen, waarnemen, denken en doen. De medewerkers weten ‘t ondertussen wel: zolang we die neuzen op hebben, communiceren we als clowns. Willen ze ons serieus spreken, dan duiken we een kamertje of keuken in, gaat die neus af, en zijn we “normaal”.

Alles improvisatie

Waar we heen moeten, dat weten we, maar wat we er gaan doen: geen idee. We voeren nooit gerepeteerde clownsnummers op. Steeds weer is het: eerst nagaan of we welkom zijn. Goed kijken en luisteren. De situatie inschatten. Ons spel afstemmen op het kind en diens situatie, leefwereld, leeftijd, humeur, belangstelling, taalgebruik en fantasie.

Een enkele keer fluisteren we elkaar op de gang snel iets toe voordat we binnengaan. Bijvoorbeeld:
Jij leidt! Of: Zo weinig mogelijk woorden en zoveel mogelijk beweging dit keer. Of we gaan iets zoeken, schoonmaken, uitbeelden. Zitten wachten tot de show begint. Of we nemen een bepaalde uitgangshouding als verwondering, verlegenheid, overdrijving, stilte. Dan zien wat er gebeurt.

Improviseren dus. Waarbij we ernaar streven dat de kinderen ons de baas zijn. Want bijna iedereen in het ziekenhuis weet meer dan de kinderen en bepaalt wat ze allemaal moeten doen en laten. Wij draaien de rollen om...

Doorluchtige hoge geit

Rosalien ligt alleen, haar moeder zit naast haar. De eerste keren moesten we erg aan elkaar wennen. Maar het ijs brak, en nu is het elke keer feest: vaak krijgen we een tekening, kaart of foto.

Rosalien is dit keer onze koningin. Als we haar aanspreken met
hare koninklijke hoge geit, komt ze bijna niet meer bij. Ze corrigeert ons, dus wordt het doorluchtige hoge geit. Ze zit iets te knippen, vast haar kroon.

Uiteindelijk gaan we iedereen in het ziekenhuis vertellen dat we de koninklijke hoge geit ontmoet hebben met een kroonluchter op. Eerbiedig buigend verlaten we achteruitlopend haar kamer. Waarbij we allebei met onze achtersten tegen de deur aan botsen. Een waardig afscheid.

Afgezakte spierballen

‘n Piepklein jochie. Een beer van ‘n vader erbij, die het allemaal maar niks vindt. Hansje laat haar spierballen zien. Het jochie toont de zijne. Dan is magere Bram aan de beurt.

Ik toon omslachtig mijn in witte kniekousen gehulde kuiten. De beer staat op, stroopt z’n mouwen op en toont met ingehouden lach waar die spierballen horen te zitten. Niet in je kuiten. Ik smoes opgewonden dat mijn spierballen zijn afgezakt toen de moed me een keer in de schoenen zonk. Iedereen heeft de grootste lol terwijl ik voor joker sta.

Afgang

Het mijn bebloemde oude-dameshoed schuin op mijn al wat grijzende bol, probeer ik te flirten met twee giebelende meisjes van negen of tien. Hansje krijgt het door, wordt jaloers, pikt mijn hoed, en deponeert hem demonstratief in een prullenbak. Knotsen van prullenbakken zijn dat hier: grote lichtblauwe vuilniszakken die in een soort klem hangen.

Stoer duik ik die prullenbak in, kom er met m’n schouders in vast te zitten, wordt na veel gespartel en gekerm gered, en verschijn weer. Met hoed op het hoofd, en nogal verbogen bril op de neus. Was niet de bedoeling. Wr afgegaan bij de meiden.

Samen durven

Ik loop naar een drukke zaal vol kinderen, ouders en personeel, en hoor daar iemand hartverscheurend schreeuwen en huilen. Panisch van angst, zo klinkt het. Ik aarzel voor de deur, en overweeg om eerst ergens anders heen te gaan, want dit lijkt heel erg. En we willen niet dat de kinderen ons associren met pijnlijke, therapeutische zaken.

Maar ontsnappen kan niet meer, want een verpleegkundige ziet en wenkt me. Slik, zucht, naar binnen dan maar. M’n hoofd is totaal leeg, geen idee wat te doen.

Het meisje, Marion, is herstellende van een gebroken rug. Weken heeft ze plat gelegen, en nu ligt ze voor het eerst wat meer verticaal, op een schuine plank. Om geleidelijk haar evenwichtsgevoel, been- en rugspieren weer te gaan gebruiken, en te wennen aan het staan. Ze klampt zich met de ene hand vast aan de plank, en met de andere aan de fysiotherapeute. Totaal verkrampt, heel bang.

Opeens krijgt ze mij in de gaten. Ik klamp me (tot haar verbazing) ook bang vast aan de plank en fysiotherapeute. Dat verwart Marion, waardoor ze vergeet te huilen. Boven in de lucht ontdek ik een televisiescherm, met daarin mijn weerspiegeling.

- Bram is op televisie!
roep ik, en begin met n hand naar mezelf te zwaaien. In de reflectie zie ik hoe Marion k vlug de plank loslaat, en terugzwaait.

- Niet doen!
roep ik, en klamp me weer stevig aan de plank vast. Marion lacht, en laat zien dat ze best durft. Iedereen haalt opgelucht adem. Ik ook.

- Kun je niet elke dag komen?,
vraagt een van de aanwezige moeders.

Twee weken later zien we Marion weer: trots laat ze zien dat ze al kan lopen. Wij maken een vreugdedans.

Boeren-beenbreuk

Maanden lang beleefden we absurde avonturen met Erik. Erik van de boerderij. Toen ging hij (genezen van leukemie) eindelijk naar huis. Grappig wel: op de dag van z’n vertrek kwamen we hem tegen op de gang. Had z’n jas al aan, en moest niks meer van ons weten. Net alsof hij het hele ziekenhuisgebeuren, inclusief Cliniclowns, al ver achter zich heeft gelaten. Groot gelijk, maar ‘t voelt toch wat raar als we opeens lucht lijken voor een van onze vriendjes.

En nu, twee weken later, ligt hij er wr. Been gebroken bij het schaatsen! Grijnzend vraagt hij ons om voor te doen hoe je dat voor elkaar krijgt, want hij herinnert zich er niets van...

Roddel

We moeten in twee aangrenzende kamers zijn. De kinderen hebben ons al op de gang gezien en gehoord, en roepen onze namen. Meestal proberen we tijdens het spelen zoveel mogelijk bij elkaar te blijven en echt samen te zijn. Maar op de een of andere manier belandt Hansje in de ene, en ik in de andere kamer. En het velt goed, het kan nu.

Hansje verkondigt luidkeels dat ze mij vandaag lekker thuis heeft gelaten. Ik hoor het, neem iets dergelijks over in mijn kamer en ga in m’n eentje mijn gang.

Even later komt een pedagogisch medewerkster me opgewonden en heel nieuwsgierig vragen wat er nou toch aan de hand is. Wat ze hiernaast allemaal voor roddel over me gehoord heeft... Ik vertrek geschrokken naar de andere kamer, en kruis in de gang de ook net van kamer wisselende Hansje. We grijnzen en knipogen naar elkaar.

- Nou weten we alles van je, zegt een van de meiden.
- Hansje heeft alles over je verteld. Dat je zulke stinkvoeten hebt, en...

Ik val haar in de rede en verkondig dat ik gelukkig die afschuwelijke Bram niet ben, maar de broer van de (stomverbaasde) pedagogisch medewerkster. Dan dik ik de roddels over Bram nog stevig aan. Hoe ‘t afloopt, weet ik niet meer, wel dat Hansje en ik daarna met de armen om elkaars schouders over de gang lopen te glunderen.

Maatjes

De laatste is Joost. Een wijze, pientere jongen van 15. Met z’n taaislijmziekte (een longkwaal) bljft hij maar terugkomen. De ene keer ontvangt hij ons in z’n als kerststal ingerichte kamer. De volgende keer lijkt het de Bodyshop wel.

Soms hebben we een dieponzinnig gesprek over zijn boek De Celestijnse Belofte. Of filosoferen we op z’n clowns over Mozart. Gaan we te keer als stand-up comedians. Of doen we met veel beweging een hilarische quiz rond een van zijn hobby’s: treinen, molens of kunst. Wat zal het vandaag zijn? Hij speelt zelf toneel, en vertelt ons erover. Alles is een beetje mat: hij is duidelijk moe, en wij ook, zo aan’t eind van de dag. Deze keer voelen we ons meer maatjes dan clowns. Dat is helemaal ok voor nu, en volgende keer proberen we ‘t weer eens anders.

Teruggaan & verdergroeien

Het zit er weer op. Op formulieren vullen we achter elk kind in hoe het reageerde, of wat wij ervan vonden.

In de trein terug zitten we soms uitgeput te pitten, na te praten, of wat te mediteren. Dat liedje van Herman van Veen komt bij me op: “Als ik kon toveren...” Soms wou ik dat we al die kinderen gewoon beter konden toveren. Mooi niet dus.

Moeilijk en mooi

Wat ik ervan vind, na precies een jaar cliniclownen?

Vermoeiend, jazeker. De eerste maanden was ik helemaal kapot na een middag. Nu pas na een hele dag...

En emotioneel? Het blijft raar, al die vreemde dingen die je ziet in zo’n ziekenhuis... Het raakt je, steeds weer. Maar gelukkig went het. Niet dat ik er harder en killer door ben geworden, juist zachter, flexibeler, warmer...

Bovendien ben ik m’n eigen kwaaltjes flink gaan relativeren. En wat ben ik dankbaar dat mjn dochter gezond is.

Het is moeilijk, maar niet problematisch. ‘t Is uitdagend en spannend, elke keer weer. Vooral door het Niet Weten Wat Er Gaat Gebeuren. Net als bij elke vorm van improviseren voor publiek, maar dit is geen gewoon publiek. Elke keer dat beroep op je creativiteit, alertheid en samenspel. En ‘t is meestal heel leuk om te doen. Soms liggen we zelf bijna dubbel van het lachen.

Spelend werken, werkend spelen, en dat ook nog voor zo’n doel: dat was altijd mijn ideaal.

Doordat we een deel van de kinderen heel regelmatig zien, ga je een band krijgen met sommige van hen, en ze beter leren kennen. Je wordt echt maatjes. Zij kijken niet alleen uit naar ons, maar wij ook naar hen!

De positieve ervaringen wegen ruimschoots op tegen de onplezierige. Heerlijk werk vind ik het. Geen daverend, ego-strelend applaus als in het theater, wel een kleintje soms, als ook de volwassenen genieten. Wel veel stille voldoening en verrassende spelmomenten. Een grandioze collega van wie ik veel leer. Fantastische ondersteuning vanuit de stichting. Enthousiast meewerkende vrijwilligers. Aardige en hulpvaardige verpleegkundigen en pedagogische medewerkers. En ondanks hun situatie vaak stralende kindergezichten en dankbare ouders.

En natuurlijk die frisse lucht als je weer het ziekenhuis uitkomt. Rotterdamse lucht weliswaar, maar toch: heerlijk!


(Gepubliceerd in:
Cliniclowns Nieuws, september 1997 &
Cliniclowns Kroniek, april 1998)