In de stoute schoenen van een Cliniclown

De moeite achter het gemak

Robbert Bos (ex-CliniClown)


“Het lijkt me zo moeilijk om Cliniclown te zijn”. Hebt u dat wel eens gedacht? Of denkt u juist: “Een leuke kop en humor heb ik al, dus geef mij maar een rode clowns neus en een clowns kostuum, dan kan ik het ook”.

Maar hoe moeilijk en hoe makkelijk is het echt? Welke problemen of uitdagingen kun je tegenkomen, en hoe ga je ermee om?


Geen houvast

Bij het clownsspel kan alles van een leien dakje gaan. Maar je voelt je ook wel eens een enorme kluns. De ene keer door “eigen schuld”, de andere keer door ziekenhuisomstandigheden. Eerst maar de hand in eigen boezem steken. Kijken naar de “moeilijkheden” die je als Cliniclown zelf kunt scheppen.

Wie een theatervoorstelling maakt, heeft houvast aan toneelteksten, regisseur, techniek, zaal, coulissen, muziek, gerepeteerde acts. Die steun heeft de Cliniclown niet. Want die improviseert, en weet nooit vooraf wat hij gaat doen.

Goed improviseren als clown vergt dat je helder bent, open, kwetsbaar, spontaan, gevoelig, ontspannen. Dus is het belangrijk dat je goed uitgeslapen bent, gezond, relaxt, goed gehumeurd.

Soms is dat niet het geval. (Tot de verbazing van veel kinderen is een clown ook maar een mens). Dan moet je tch clownen. Je persoonlijke rompslomp opzij zetten, en er helemaal zijn voor de kinderen.

Onthechte creativiteit

Elke week kom je in hetzelfde ziekenhuis terug. Daardoor kun je met de langdurig zieken een relatie opbouwen, wat meestal prettig is. Maar het gebeurt wel dat de band met het kind steeds beter wordt, terwijl je de situatie van het kind ziet verslechteren. Dat moet je emotioneel aankunnen...

Bij kinderen waar je vaak komt, kan het bezoek na een poosje “gewoon” worden, want je kent elkaar dan wel. Dan vergt het creativiteit om alles fris en afwisselend te houden.

Emoties uitstellen

De meeste mensen denken dat cliniclownen moeilijk is door de emotionele dingen die je tegenkomt. Al die ziektes... Dat kan inderdaad moeilijk zijn. Je schrikt van iemands uiterlijk na een ingrijpende operatie. Je komt een kamer uit, en voelt je opeens geschokt door hoe ellendig iemand er aan toe is. Of je praat met een ouder, en iets van diens wanhoop slaat op je over.

Na een poosje went dat wel wat, maar toch blijven er dingen die je diep raken. Dan is het de kunst om clown te blijven, je emoties als het ware uit te stellen tot later, en verder te spelen.

Een keer lukte me dat niet. Toen liep ik als een zombie achter m'n collega aan, en kon geen woord meer uitbrengen. Maar je moet verder, want er wachten nog vier kinderen. Dan heb je je collega hard nodig. Dat is n van de redenen waarom je met een vaste, vertrouwde partner werkt. En gelukkig is het haast altijd zo dat n van beiden gewoon door kan spelen, of zelfs de hele improvisatie voor zijn of haar rekening neemt. Onze toeschouwertjes merken dan niets. Achteraf, tijdens de terugreis of thuis, komen die emoties wel.

Af en toe overlijden er kinderen. In de twee jaar dat ik nu Cliniclown ben, drie keer, snel na elkaar. We hoorden het vlak voordat we gingen spelen, of zelfs tussendoor. Je voelt pijn in je hart, hebt allerlei vragen in je hoofd, tranen in je ogen en een brok in je keel. En toch moet je die clownsneus opzetten en spelen, want er zitten kinderen op je te wachten.

Bij mij welt er dan iets op als: "Deze middag is voor jou!" en zo draag ik het spel op aan het overleden kind. Dan loopt alles als een trein. Net of je je extra geeft...

Verwachtingen bijstellen

Als Cliniclown moet je niet te hoge verwachtingen hebben. Niet altijd schaterlachende kinderen. Niet altijd de leukste willen zijn. Veel kinderen hebben zelf ook een clown in zich. Die soms leuker is (of probeert te zijn dan jij). Dan kun je de neiging krijgen om te laten zien dat jij toch echt leuker bent. Maar dat komt niet overeen met onze doelstellingen.

Het gaat erom dat we het kind versterken in eigenwaarde. Dat het meer weet, slimmer en leuker is dan wij. Misschien is dat even niet leuk voor ons: kom je zelf niet goed uit de verf, en voel je misschien zelfs een beetje gebruikt... 't Kan helpen om dan bewust tegen jezelf zeggen: “Het gaat er niet om dat k de sterren van de hemel speel en sta te schitteren, maar dat het kind schittert.”

Niet verwachten dat alles “artistiek verantwoord” is, of dat elke improvisatie opwindend en spannend is. Het “artistieke element” komt door de omstandigheden vaak niet uit de verf en een ego-strelend applaus krijg je zelden. Soms loop je zelfs helemaal vast in je spel.

Je eigen voldoening zit 'm vooral in het kleine. In weten dat je een speelse schakel bent in een serieus geheel. In de kleine kinderglimlach. De bedankjes van de ouders. De moeder met foto's die ontroerend duidelijk tonen dat er cht contact was tussen dat geestelijk achterlopende meisje, en jou als Cliniclown.

Ontslaan of afdruipen

Midden in je clowns spel komt er opeens een verpleegkundige om een kind op te halen voor onderzoek. Medische handelingen gaan voor. Dat is soms tragisch, vooral al het kind er tegen opziet. Wat doe je dan? “H, zie je niet dat we bezig zijn?”, zeg je niet tegen een dokter. Of... soms toch! Als clown lekker plaatsvervangend tegenpruttelen. Speels voor het kind in de bres springen. Pochen dat je de ziekenhuisdirecteur bent. Die de verpleegster ter plekke ontslaat, of omtovert in een ijsverkoper. Maar soms past dat niet. En druipen we af.

Kiezen

Sommige mensen denken dat de Cliniclowns voor alle kinderen tegelijk optreden in een grote zaal. Dat klopt niet. We gaan naar de kinderen op de kamers toe. Ons publiek bestaat meestal uit n kind tegelijk. Dat is het doel immers van de Cliniclowns: persoonlijke contact, individueel afleiding en vermaak brengen.

Dat individuele gaat niet op als er al bezoek is. Vaak is ook dat leuk, maar niet per definitie. Je komt vooral voor het zieke kind, maar wat doe je als een gezond zusje of vriendje alle aandacht opeist? Het kan heel verleidelijk zijn om dr dan mee te spelen. Maar dat is eigenlijk niet de bedoeling. Tenzij het je lukt om samen met dat gezonde bezoek dusdanig in de weer te gaan, dat de zieke er van kan genieten.

In de thee

Iets anders is het bezoek dat soms leuker denkt te zijn dan jij. Een oom die je hand bijna fijn knijpt om te laten zien hoe grappig hij is. Of de tante die bij onze entree roept: “Daar heb je die stomme pipo's weer!”. Ze maakt zulke flauwe grappen, dat het kind zich ervoor geneert. Dan gaat tante per ongeluk in haar eigen theekopje zitten. Iedereen ligt in een deuk, zij houdt zich verder koest. Probleem foetsie.

Voelsprieten

Met al die kinderen is het wel oppassen geblazen. Als je n keer met je grote flapschoenen op de teentjes bent gestapt van een klein meisje achter je, ga je vanzelf op eieren lopen.

Soms leun je wel eens op een bedleuning, die dan “prongeluk” gesloopt wordt als je omhoog komt. Sta je daar dom met een bedleuning in je handen. Wat moet je daarmee? Verstoppen achter het gordijn? Of gewoon het hle bed slopen, zodat die ontbrekende leuning niet opvalt? De kinderen vinden dat prachtig.

Tenzij ze bijvoorbeeld met het been in tractie liggen (in een soort hijskraan). Dan mag je absoluut het bed niet aanraken...

Als het goed is, krijg je geleidelijk aan alle kanten oren, ogen en voelsprieten. Zodat je als clown uit je dak kunt gaan, zonder iets kapot te maken.

Maar soms gaat er aan de andere kant tijdelijk iets “kapot”, waar jij als clown behoorlijk van in de war kunt raken. Een voorbeeld: Ik kom in m'n eentje bij Mark. Opeens begint hij te schreeuwen, wild met z'n ogen te rollen, en ongecontroleerd met z'n armen te maaien. Ik schrik me lam en verstar van binnen. Het flitst door me heen: “Heb ik iets verkeerd gedaan? Hem laten schrikken?” Mijn clownspersonage verdwijnt als sneeuw voor de zon. Gewoon als Robbert (nou ja, gewoon..?) besluit ik in overleg met z’n vader maar weg te gaan.

Vlak daarna iets soortgelijks. Een andere jongen zakt opeens in elkaar en valt bijna van het bed af. Z'n moeder gilt. Ik stuif de zaal uit om verpleegkundigen te halen. In beide gevallen sta ik geschrokken op de gang. Het hart wild bonzend in m'n keel.

Gelukkig kan ik terecht bij een pedagogisch medewerker of verpleegkundige, die vertelt dat het kwam het door medicijnen. Behalve schrik alom, is er niets aan de hand.

Computer of clown

Er zijn allerlei factoren die het contact tussen kind en clown kunnen bemoeilijken. Soms is het kind boos op alles: op de pijn, dokters, ouders, op iedereen. Of het is juist vrolijk, maar het bezoek kijkt heel bedrukt. Of er staat een tv, video of computer aan. Binnenkomen mag dan wel, maar aandacht krijgen we nauwelijks.

In het begin probeer je van alles, maar na een aantal mislukkingen krijg je zoiets van: “Ons doel is afleiding en vermaak brengen. Als er al iets is, dat het kind meer vermaak en afleid biedt dan wij, prima.”

Veilig

Bang voor het ziekenhuis, voor onbekends, voor vreemde snuiters zoals clowns. Sommige kinderen zijn dat. Als je niet oppast, zit je z met een huilend kind. Terwijl het tegengestelde de bedoeling is. Die angst moet je constant in de gaten houden. Zien en aanvoelen. En erop afstemmen.

Bijvoorbeeld door je kleiner te maken, door op afstand te spelen. Zo ver mogelijk weg. Voor de deur, voor het raam. Of heel stil. Of we zijn ng banger dan het kind. Of we richten ons tot andere aanwezigen, of helemaal op elkaar, zodat het kind veilig kan toekijken. Dat is steeds weer de kunst: hoe kunnen we het voor het kind zo veilig mogelijk. n leuk.


Uitdaging

Regelmatig spelen we voor kinderen die niet alleen lichamelijk ziek zijn, maar ook geestelijk achterlopen. “Geretardeerd” heet dat. Andere kinderen zijn spastisch, en dan kan het lijken alsof ze ook geestelijk achterlopen, terwijl ze toch intelligent zijn. Allebei moeilijk om mee te clownen. Vooral omdat de reacties zo langzaam komen, of helemaal niet.

Mijn collega en ik kijken elkaar wel eens hopeloos aan: “Wat moeten we nou toch? Wat betekenen die vreemde klanken nou?”. Gelukkig hebben we dan kleine dingetjes waar ze (soms) wel op reageren. Heel traag en eenvoudig spel. Zachte mondharmonica-muziek.

Nep

Met enkele kinderen is het heel moeilijk om “clownscontact” te maken. Doordat ze niet meegaan in onze fantasie. Kennelijk is de “werkelijkheid” veiliger voor ze. Ze zien precies wat er mankeert aan ons uiterlijk. Ze corrigeren uit ten treuren elke “fout” die we maken. Of ze roepen: “Jullie zijn nep-clowns, want jullie neuzen zijn van plastic!”

Als we er zelf geen hoogte van kunnen krijgen, laten we de pedagogische medewerkers wel eens navragen wat een bepaald kind nou eigenlijk van ons vind. En jongen vertelde hen 't prachtig te vinden dat hij ons steeds kan beetnemen. Hij doet net alsof hij een kat of hond onder de dekens heeft, en lacht zich achteraf rot dat wij daar intrappen...

(Gepubliceerd in:
Cliniclowns Nieuws, april 1998